home / nieuws / 19-12-2007 Afslag A67 mag niet worden gebouwd
De raad van state heeft vandaag uitspraak gedaan in de zaak die was
aangespannen door de Brabantse Milieu Federatie (BMF),
Milieuvereniging Bladel (MB) en andere betrokken partijen. Het betreft
de door de gemeente Bladel zo gewenste afslag van de A67 naar de
provinciale weg N284. Deze weg is gepland door het nog te bouwen
Kempisch Bedrijven Park (KBP).
De raad van state heeft beslist dat de afslag NIET mag worden
gelegd. Voornaamste reden is dat er onduidelijkheid is over de
luchtkwaliteit, welke door toename van het verkeer nog verder daalt.
Zoals bekend is BT TEGEN de komst van deze afslag EN het KBP omdat de
partij van mening is dat er niet is aangetoond dat het KBP voor
werkgelegenheid zorgt voor de lokale bevolking. Zo is er onlangs
bekend geworden dat de werkloosheid in deze regio het laagste is van
geheel Nederland. Verder hecht BT er belang bij dat het landschap
behouden wordt en ziet liever dat er geïnvesteerd wordt in
bijvoorbeeld toerisme.
Hieronder de volledige uitspraak van de raad van state:
200603203/1.
Datum uitspraak: 19 december 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],
2. de stichting "Stichting Brabantse Milieufederatie" gevestigd te
Tilburg en de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
"Milieuvereniging Bladel" en anderen (hierna: de BMF, MB en anderen),
3. [appellanten sub 3], gevestigd respectievelijk wonend te
[woonplaats]
4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],
5. [appellanten sub 5], wonend te [woonplaats],
en
Provinciale staten van Noord-Brabant,
verweerders.
1. Procesverloop
Bij besluit van 10 maart 2006 hebben verweerders, op voorstel van het
college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 17 januari 2006,
de partiële herziening "Partiële herziening Streekplan Noord-Brabant
2002, concrete beleidsbeslissing N284 Hapert" (hierna te noemen: de
partiële herziening) vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 27 april 2006,
bij de Raad van State ingekomen op 28 april 2006, appellanten sub 2
bij brief van 2 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 3 mei
2006, appellanten sub 3 bij brief van 5 mei 2006, bij de Raad van
State ingekomen op 8 mei 2006, appellant sub 4 bij brief van 8 mei
2006, bij de Raad van State ingekomen op 9 mei 2006, appellanten sub 5
bij brief van 10 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 12 mei
2006, beroep ingesteld.
Bij brief van 2 oktober 2006 hebben verweerders een verweerschrift
ingediend.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke
Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 11
januari 2007. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te
reageren.
Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van de
gemeenteraad van Bladel. Dit is aan de andere partijen toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 augustus 2007,
waar appellant sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. H.A.
Gooskens, appellanten sub 2, vertegenwoordigd door M. Visser, H.
Gerringa en C.A.M. Jasper, appellanten sub 3, bij monde van
[gemachtigde] en vertegenwoordigd door H.J. Verheggen en mr. P.W.M.
Dorn, appellant sub 4, vertegenwoordigd door mr. W. Krijger, appellant
sub 5 bij monde van [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd
door mr. E.F.M. Vos, F. Veurink, J.W. van de Booget en C. ten Tije,
ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Tevens zijn daar gehoord
het college van burgemeester en wethouders van Bladel,
vertegenwoordigd door P.A.M. Stappaerts, ambtenaar van de gemeente, en
S.P. Grem, burgemeester van de gemeente Bladel, en het openbaar
lichaam "Kempisch Bedrijvenpark", vertegenwoordigd door [directeur].
2. Overwegingen
2.1. Ter zitting hebben de BMF, MB en anderen hun beroepsgronden
inzake het indienen van mondelinge zienswijzen, alsmede het niet
houden van een hoorzitting ingetrokken.
Partiële herziening
2.2. In de onderhavige partiële herziening van het "Streekplan
Noord-Brabant 2002" zijn de volgende concrete beleidsbeslissingen
opgenomen:
- Het tracé voor de omlegging is geprojecteerd van de N284 ten oosten
van Hapert en ten westen van de gemeentegrens van Eersel. Het tracé is
op plankaart 1 van het streekplan aangegeven als "provinciale
ontsluitingsweg; tracé vastgesteld";
- Tegelijk met de voorbereiding en vaststelling van het
bestemmingsplan dat de GHS-landbouw voor een klein deel aantast en de
GHS-natuur voor een nog kleiner deel aantast, wordt een
bestemmingsplan voorbereid en vastgesteld waarin de vereiste
compensatie van de aangetaste natuur- en landschapswaarden
planologisch wordt geregeld.
De onderhavige partiële herziening voorziet daarmee in de als concrete
beleidsbeslissing aangemerkte omlegging van de N284, inclusief een
nieuwe aansluiting op de A67. Het tracé is aangegeven op kaart 1 en is
op een groter schaalniveau aangegeven op kaart 2. De omlegging dient
tevens ter ontsluiting van het nog te ontwikkelen Kempisch Bedrijven
Park (hierna: KBP).
Formele bezwaren
2.3. De BMF, MB en anderen stellen dat de zienswijzen gericht tegen
het ontwerp van het streekplan in de "Nota van zienswijzen en
wijzigingen streekplanherziening Omlegging N284 Hapert" te beknopt
zijn weergegeven. Bovendien vermeldt de reactie op de zienswijze niet
wie de indiener van welke zienswijze is, aldus de BMF, MB en anderen.
2.3.1. De Afdeling overweegt dat artikel 3:46 van de Algemene wet
bestuursrecht zich er niet tegen verzet dat verweerders de bezwaren
samengevat weergeven. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van
een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen
aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende
is gemotiveerd, dan wel anderszins geen recht doet aan de indieners
van deze zienswijzen. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of
argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Nu bijlage 1 bij
het ontwerp van de streekplanherziening een overzicht bevat met de
namen van de indieners van de zienswijzen met daarachter de nummers
van de thema's, waarover zij bezwaren hebben ingediend, geeft de
bijlage duidelijkheid over wie de indiener is van een bepaalde
zienswijze. Derhalve is de Afdeling van oordeel dat verweerders in
zoverre op een zorgvuldige wijze met de zienswijzen zijn omgegaan.
Dit bezwaar slaagt dan ook niet.
Beroep [appellanten sub 3]
2.4. [appellanten sub 3] stellen dat de continuïteit en
ontwikkelingsmogelijkheden van hun rundvee- en varkensbedrijf in
gevaar komt door de realisering van de aansluiting van de N284 op de
A67.
Zij voeren hiertoe aan dat de nieuwe ontsluitingsweg is voorzien
tussen hun rundvee- en varkensbedrijf, hetgeen een verlies aan
landbouwgronden met zich brengt en in de weg staat aan voortzetting
van de gezamenlijke bedrijfsvoering.
Gezien de eisen die aan een alternatieve locatie voor hun bedrijf
dienen te worden gesteld, zijn deze locaties schaars. Derhalve had het
volgens appellanten in de rede gelegen dat verweerders eerst een
alternatieve locatie hadden gezocht alvorens de onderhavige partiële
herziening van het streekplan vast te stellen.
Nu nog onduidelijkheden bestaan omtrent de verplaatsing van het
bedrijf van appellanten, heeft men met de kosten van verplaatsing in
de financiële onderbouwing van het plan geen rekening kunnen houden,
zodat het plan ook in zoverre ondeugdelijk is, aldus appellanten.
2.4.1. Verweerders stellen zich op het standpunt dat eerst in een
bestemmingsplan of in een ander ruimtelijk plan de invloed van de weg
op het agrarische gebruik inzichtelijk wordt en derhalve ook pas in
dat kader een besluit omtrent een alternatieve locatie behoeft te
worden genomen. Voorts is volgens verweerders bij de
financieringsafspraken voor de weg rekening gehouden met eventuele
kosten voor de aankoop, dan wel mogelijke compensatie voor verminderd
gebruik van percelen.
2.4.2. Appellanten exploiteren een gecombineerde rundveehouderij en
intensieve varkenshouderij aan de [locaties] te [plaats].
De aansluiting van de N284 op de A67 is gedeeltelijk geprojecteerd op
de gronden van appellanten. Uit de stukken en het verhandelde ter
zitting blijkt dat het afstaan van een deel van de bij de bedrijven in
gebruik zijnde gronden voor de omlegging van de N284 het continueren
van de bedrijfsvoering niet geheel onmogelijk maakt, maar dat niet in
geschil is dat het bedrijf ter plaatse op termijn niet kan worden
voortgezet.
2.4.3. Ten aanzien van het betoog van appellanten dat in het bestreden
besluit onvoldoende duidelijkheid is geboden over een vervangende
bedrijfslocatie, overweegt de Afdeling als volgt. Niet vereist is dat
in de fase van de besluitvorming over de locatie van de aan te leggen
aansluiting van de N284 op de A67 reeds volledige duidelijkheid dient
te bestaan over een vervangende bedrijfslocatie voor het bedrijf van
appellanten. Verweerders hebben ermee kunnen volstaan vast te stellen
dat niet gebleken is dat het onmogelijk is een vervangende
bedrijfslocatie te vinden. De daadwerkelijke invulling van een
vervangende locatie kan in een volgende fase van de besluitvorming aan
de orde komen. In dat verband is van belang dat reeds bij de
financieringsafspraken van de weg rekening is gehouden met verminderde
ontwikkelingsmogelijkheden, dan wel verplaatsing, van het bedrijf van
appellanten. Voorts zijn de exacte gevolgen van de aanleg van de weg
afhankelijk van de precieze inrichting van het tracé, waarover in deze
fase van de besluitvorming nog geen duidelijkheid bestaat, noch
behoeft te bestaan.
Gelet op het vorenoverwogene treft hetgeen [appellanten sub 3] tegen
de concrete beleidsbeslissing naar voren hebben gebracht geen doel.
Het beroep van [appellanten sub 3] is ongegrond.
Het MER
2.5. De BMF, MB en anderen stellen in beroep dat het MER dat ten
grondslag is gelegd aan de partiële herziening van het streekplan
onvolledig is, hetgeen volgens appellanten ook blijkt uit de
actualisering die in 2005 is verschenen. Dit aanvullende MER is
volgens appellanten ten onrechte niet getoetst aan de m.e.r.-richtlijnen.
Evenmin is deze voorgelegd aan de Commissie voor de m.e.r. (hierna: de
Commissie) en bestond ten aanzien daarvan geen mogelijkheid tot
inspraak, aldus appellanten.
2.5.1. Verweerders betogen dat de keuze voor het voorkeurstracé, zoals
opgenomen in de partiële herziening van het streekplan is gebaseerd op
het MER en de aanvullende onderzoeken. Verweerders hebben het niet
nodig geacht ook de aanvullende onderzoeken aan de Commissie voor te
leggen, aangezien de uitkomsten van deze aanvullende onderzoeken niet
tot andere conclusies leiden wat betreft de milieueffecten en de
vergelijking van de alternatieven.
2.5.2. Het MER dateert van maart 2002. Op 5 juli 2002 heeft de
Commissie haar toetsingsadvies uitgebracht over het
milieueffectrapport/Tracénota N284 Eersel-Reusel en de, naar
aanleiding van een op 27 mei 2002 gehouden deskundigenoverleg,
ingediende aanvulling daarop.
In het toetsingsadvies concludeert de Commissie dat in het aldus
aangevulde MER de essentiële informatie aanwezig is. De Afdeling ziet
geen aanleiding om aan deze conclusie te twijfelen.
Omdat na het maken van het MER inmiddels twee jaren waren verstreken
hebben verweerders bij de voorbereiding van het bestreden besluit
gevraagd om een actualisering van de verkeersgegevens.
De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 16
februari 2005 "MER N284, actualisering verkeer, geluid, lucht en
veiligheid gericht op Hapertvariant" (hierna: Actualisering MER N284).
In dit rapport zijn naast de verkeersintensiteiten ook de gegevens met
betrekking tot geluid, lucht en externe veiligheid geactualiseerd.
Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde van het
nemen van het bestreden besluit sprake was van een aanmerkelijke
wijziging van de omstandigheden ten opzichte van de omstandigheden
waarvan bij het maken van het MER is uitgegaan, als bedoeld in artikel
7.27 Wm. Gezien het vorenstaande heeft verweerder het rapport van 16
februari 2005 op goede gronden niet als aanvullend MER, maar als een
actualiserend onderzoek aangemerkt. Voorts bestaat geen rechtsregel op
grond waarvan in dit geval genoemd actualiserend onderzoek aan de
Commissie moest worden voorgelegd, dan wel aan de richtlijnen voor de
m.e.r. diende te worden getoetst.
Nu het rapport Actualisering MER N284 aan het bestreden besluit ten
grondslag ligt, bestond de mogelijkheid voor het indienen van een
zienswijze in het kader van de onderhavige procedure met betrekking
tot de vaststelling van de partiële herziening van het streekplan.
Geen rechtsregel noopt ertoe dat ook in de onderhavige procedure met
betrekking tot genoemd actualiserend onderzoek inspraakmogelijkheden
worden geboden.
Gezien het vorenstaande treffen bovengenoemde bezwaren dan ook geen
doel.
Noodzaak omlegging/samenhang KBP
2.6. [appellant sub 1] en [appellanten sub 5] hebben aangevoerd dat de
noodzaak voor de omlegging van de N284 ontbreekt, indien het KBP niet
zal worden aangelegd.
2.6.1. Verweerders stellen dat in de toekomst de omlegging zal dienen
ter ontsluiting van het KBP, maar dat met de omlegging van de N284
allereerst is beoogd het spitsgeoriënteerde probleem met name op het
weggedeelte tussen Eersel en de A67 op te lossen. Juist op dit
weggedeelte zal de verkeersgroei doorzetten, ook als het KBP niet zal
worden ontwikkeld.
2.6.2. Volgens de stukken bedraagt de intensiteit/capaciteitverhouding
op de N284 in de huidige situatie 0,85, hetgeen volgens de stukken als
een zogenoemde kritische grens wordt gezien. Volgens het Provinciale
Verkeers- en Vervoersplan valt tot 2020 ten opzichte van 2003, een
groei van 35% te verwachten.
2.6.3. Gelet op het vorenstaande is door verweerders voldoende
aannemelijk gemaakt dat ook indien het KBP niet zal worden
gerealiseerd, omlegging van de weg noodzakelijk is.
Derhalve hebben verweerders vanuit een oogpunt van noodzakelijkheid in
redelijkheid een partiële herziening kunnen vaststellen waarin
uitsluitend de wegomlegging van de N284 is opgenomen.
Gezien het vorenstaande treft het betoog van appellanten dan ook geen
doel.
Gekozen tracé
2.7. De BMF, MB en anderen stellen dat er duurzamere alternatieven
bestaan dan de zogenoemde Hapert-variant, die in de partiële
herziening is vastgelegd.
[appellanten sub 5] stellen dat bij de keuze voor het onderhavige
alternatief onvoldoende rekening is gehouden met de gevolgen voor het
weggedeelte van de N284 tussen Hapert en Reusel. Zij geven daarom de
voorkeur aan een variant waarin de aansluiting op de A67 ter hoogte
van Reusel is voorzien.
2.7.1. Verweerders stellen dat uitgaande van de verkeersprognoses in
het rapport van 16 februari 2005 en de komst van het KBP op de locatie
Hapert-Zuid het onderhavige alternatief het meest duurzaam is.
2.7.2. Ten behoeve van de besluitvorming over de provinciale weg N284
tussen Eersel en Reusel is een milieueffectrapportage uitgevoerd. De
resultaten daarvan zijn neergelegd in het MER van maart 2002. Ten
tijde van het opstellen van dit MER bestond nog geen duidelijkheid
omtrent de locatie van het KBP. Het MER vermeldt dat bezien vanuit een
lange termijnperspectief de alternatieven Hapert, de Pan en Duizel het
grootste probleemoplossend vermogen bezitten. Tevens vermeldt het MER
dat wanneer het bedrijvenpark wordt voorzien op de locatie Hapert-Zuid,
bij een proactieve houding de keuze voor alternatief Hapert voor de
hand ligt, omdat dit alternatief voorziet in een directe ontsluiting
van het bedrijvenpark op de A67. Weliswaar bundelt het alternatief
Hapert niet met de bestaande infrastructuur, hetgeen op grond van het
provinciale beleid wel de voorkeur geniet, maar verbetering van de
bestaande N284 is volgens de in het MER veronderstelde ontwikkelingen
op de lange termijn niet toereikend. Voorts zijn de effecten van
alternatief Hapert op de natuurlijke omgeving relatief beperkt indien
het bedrijvenpark op de locatie Hapert-Zuid wordt gesitueerd. Daarbij
moet volgens het MER worden betrokken dat het bedrijvenpark ook zelf
effecten heeft op de natuurlijke omgeving.
Zoals overwogen onder 2.5.2. hebben verweerders bij de voorbereiding
van het bestreden besluit gevraagd om een actualisering van de
verkeersgegevens en zijn de resultaten van dit onderzoek neergelegd in
het rapport Actualisering MER N284. Volgens dit rapport worden het
nulplusalternatief, het verbeteralternatief en een milieu- en
natuuralternatief wat oplossend vermogen betreft problematisch voor de
situatie in 2020.
Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit had het college van
gedeputeerde staten van Noord-Brabant zijn voorkeur uitgesproken voor
de locatie Hapert-Zuid als vestigingsplaats voor het KBP. Ook de
Kempengemeenten hadden inmiddels gekozen voor die locatie. Het
gemeentebestuur van Bladel had de bestemmingsplanprocedure ten behoeve
van de aanleg van het KBP aldaar reeds in gang gezet.
2.7.3. Gelet op het MER van maart 2002, zoals geactualiseerd door het
rapport van 16 februari 2005, hebben de alternatieven Hapert, de Pan
en Duizel het grootste probleemoplossend vermogen. In de ten tijde van
het nemen van het bestreden besluit door het college van gedeputeerde
staten en de Kempengemeenten gemaakte keuze voor de vestiging van het
KBP op de locatie Hapert-Zuid, alsmede in de in gang gezette
bestemmingsplanprocedure ten behoeve van die vestiging, hebben
verweerders voldoende aanleiding kunnen zien de voorkeur te geven aan
de zogenoemde Hapert-variant. Daarbij betrekt de Afdeling ook hetgeen
het MER vermeldt omtrent het meest voor de hand liggende tracé indien
het KBP wordt gerealiseerd op de locatie Hapert-Zuid.
Gezien het vorenstaande treffen deze betogen van appellanten dan ook
geen doel.
Luchtkwaliteit
2.8. [appellant sub 1], de BMF, MB en anderen, [appellant sub 4] en
[appellanten sub 5] stellen in beroep dat het onderzoek inzake de
luchtkwaliteit onvolledig is, dan wel gebreken vertoont.
[appellant sub 1] stelt dat de invloed van de wegomlegging op de
luchtkwaliteit ten onrechte volledig is losgekoppeld van de invloed
van het bedrijventerrein op de luchtkwaliteit. Ook de BMF, MB en
anderen, [appellant sub 4] en [appellanten sub 5], wijzen op de
samenhang tussen de aanleg van de weg en het bedrijventerrein.
[appellanten sub 5] wijzen erop dat de luchtkwaliteit ter plaatse van
Hapert (gemeente Bladel) verslechtert, terwijl de luchtkwaliteit van
de vier Kempengemeenten juist in die gemeente al het slechtst is. De
BMF, MB en anderen betogen dat er reeds sprake is van een
overschrijding van de meest basale Europese normen. Volgens hen zal de
aanleg van de weg uiteindelijk leiden tot meer verkeer, hetgeen een
grotere uitstoot en een vergroting van het aantal blootgestelden met
zich zal brengen.
[appellanten sub 5] wijzen tevens op een aantal andere ontwikkelingen
die volgens hen leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.
[appellant sub 4] betoogt dat het plan leidt tot een verslechtering
van de luchtkwaliteit ter plaatse van zijn woning. Hij acht dit
onaanvaardbaar nu de normen uit het Besluit luchtkwaliteit ter plaatse
reeds worden overschreden.
2.8.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat voldoende
onderzoek is gedaan naar de gevolgen die het plan heeft voor de
luchtkwaliteit en dat daaruit blijkt dat dit milieuaspect geen
belemmering vormt voor de in de partiële herziening van het Streekplan
Noord-Brabant 2002 voorziene omlegging van de N284.
2.8.2. Ten behoeve van de voorbereiding van de partiële herziening is
onderzoek verricht naar de gevolgen van de wegomlegging voor de
luchtkwaliteit. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het
onderzoeksrapport "Onderzoek luchtkwaliteit wegomlegging N284
provincie Noord-Brabant" van 14 oktober 2005, van Arcadis.
In dit onderzoek is rekening gehouden met de gevolgen van het KBP voor
zover het de verkeersaantrekkende werking van het bedrijventerrein
betreft. De mogelijke gevolgen van de bedrijfsactiviteiten van de op
het KBP te vestigen bedrijven zijn niet in het onderzoek betrokken.
Na het nemen van het bestreden besluit zijn de gevolgen voor de
luchtkwaliteit opnieuw onderzocht. De resultaten van dat onderzoek
zijn neergelegd in het rapport van 13 juli 2007 "Integraal onderzoek
luchtkwaliteit Kempisch bedrijvenpark en wegomlegging N284". In dat
rapport wordt geconcludeerd dat als alle relevante
concentratiebijdragen van de diverse bronnen bij elkaar worden
opgeteld, langs de N284 bij Eersel op twee locaties de grenswaarden
van stikstofdioxiden worden overschreden. Dit doet zich zowel in 2007
als in 2010 voor. Met de realisatie van het KBP en de onlosmakelijk
daarmee verbonden wegomlegging van de N284 worden deze
overschrijdingen teniet gedaan, aldus het luchtkwaliteitsrapport.
2.8.3. Zoals overwogen onder 2.7.3. hebben verweerders gezien de mate
van waarschijnlijkheid dat het KBP zou worden ontwikkeld op de locatie
Hapert-Zuid gekozen voor de zogenoemde Hapert-variant. Gelet hierop en
mede gezien de ten tijde van het nemen van het bestreden besluit in
gang gezette bestemmingsplanprocedure voor het KBP was in dit geval
derhalve reeds sprake van een voldoende voorzienbare en concrete
ontwikkeling zodat deze in de beoordeling van de luchtkwaliteit had
moeten worden betrokken. Verweerders zijn er bij het nemen van het
bestreden besluit dan ook ten onrechte vanuit gegaan dat de invloed
die de bedrijvigheid op het KBP heeft op de luchtkwaliteit, in het
luchtkwaliteitsonderzoek buiten beschouwing kon worden gelaten.
Hieruit volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een
deugdelijke motivering en is genomen in strijd met de bij het
voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.
De beroepen van [appellant sub 1], de BMF, MB en anderen en [appellant
sub 4] en [appellanten sub 5] zijn gegrond. Gelet op de samenhang
tussen beide in overweging 2.2. genoemde concrete beleidsbeslissingen
ziet de Afdeling aanleiding het bestreden besluit voor zover het de
beide daarin vervatte concrete beleidsbeslissingen betreft, wegens
strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht
te vernietigen.
2.8.4. In het onderzoek dat ten grondslag ligt aan het
luchtkwaliteitsrapport van 13 juli 2007 is de invloed van de op het
KBP te vestigen bedrijven op de luchtkwaliteit wel betrokken. Anders
dan appellanten ter zitting hebben gesteld, is het rapport niet op een
zodanig laat moment in procedure gebracht dat het rapport om deze
reden buiten beschouwing dient te worden gelaten. Nu de BMF, MB en
anderen echter genoemd rapport en het daaraan ten grondslag liggende
onderzoek gemotiveerd hebben bestreden, met name met betrekking tot
het ontbreken van meetpunten voor de kruising van de N284 met de
geplande omlegging en beide afslagen naar Hapert, staat echter niet
buiten twijfel dat aan de normen van het Blk 2005 wordt voldaan.
Derhalve ziet de Afdeling geen aanleiding op grond van dit rapport de
rechtsgevolgen in stand te laten.
2.8.5. Gelet op het vorenstaande behoeven de overige beroepsgronden
van [appellant sub 1], de BMF, MB en anderen, [appellant sub 4] en
[appellanten sub 5] geen bespreking meer.
Proceskosten
2.9. Verweerders dienen op na te melden wijze te worden veroordeeld in
de proceskosten van [appellant sub 1], de BMF, MB en anderen en
[appellant sub 4] .
Niet gebleken is dat door een derde beroepsmatige proceshandelingen
zijn verricht voor de BMF, MB en anderen.
Ten aanzien van [appellanten sub 5] is niet van voor vergoeding in
aanmerking komende proceskosten gebleken.
Ten aanzien van [appellanten sub 3] bestaat geen aanleiding voor een
proceskostenveroordeling.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], de BMF, MB en anderen,
[appellant sub 4] en [appellanten sub 5] gegrond;
II. vernietigt het besluit van Provinciale staten van Noord-Brabant
van 10 maart 2006, kenmerk 11/06 B tot vaststelling van de "Partiële
herziening Streekplan Noord-Brabant 2002 inzake Omlegging N284 Hapert"
voor zover het de daarin vervatte concrete beleidsbeslissingen
betreft;
III. verklaart het beroep van [appellanten sub 3] ongegrond;
IV. veroordeelt Provinciale staten van Noord-Brabant tot vergoeding
van bij de hierna te noemen appellanten in verband met de behandeling
van de beroepen opgekomen proceskosten. Deze kosten dienen door de
provincie Noord-Brabant onder vermelding van het zaaknummer te worden
betaald aan:
- [appellant sub 1] tot een bedrag van € 678,73 (zegge:
zeshonderdachtenzeventig euro en drieënzeventig cent), waarvan een
gedeelte groot € 644,00 toe te rekenen aan door een derde verleende
rechtsbijstand;
- de BMF, MB en anderen tot een bedrag van € 27,93 (zegge
zevenentwintig euro en drieënnegentig cent);
- [appellant sub 4] tot een bedrag van € 644,00 (zegge:
zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een
derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
V. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan [appellant sub
1],[appellant sub 4] en [appellanten sub 5] elk afzonderlijk, het door
hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten
bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt en aan
de BMF, MB en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep
betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge:
tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr.
R. van der Spoel en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in
tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, ambtenaar van Staat.
w.g. Parkins-de Vin w.g. Tuit
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2007
425.
terug
top